FICTIEVE OPZEGTERMIJN
Een werkgever en een werknemer overleggen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2007, en spreken af rekening te houden met de fictieve opzegtermijn. Op 20 februari wordt over dat punt een akkoord bereikt. Op 23 februari stuurt de werknemer de door hem ondertekende vaststellingsovereenkomst aan de werkgever. Deze ondertekent de overeenkomst op 1 maart. Het UWV kent de werknemer een WW-uitkering toe vanaf 1 mei, omdat volgens het UWV de opzegtermijn op 2 maart is ingegaan. De werknemer vordert daarop van de werkgever betaling van het inkomensverlies over de maand maart. Hij stelt dat het UWV de WW-uitkering had toegekend per 1 april, als de werkgever de vaststellingsovereenkomst vóór 1 maart had ondertekend, in plaats van op 1 maart. De werkgever stelt echter dat de fictieve opzegtermijn is ingegaan op het moment dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen, op 20 februari 2007. De kantonrechter accepteert het verweer van de werkgever. De werknemer had vanaf 1 april aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering. Het door het UWV gehanteerde criterium van ondertekening van een vaststellingsovereenkomst is rechtens niet relevant en sluit bovendien ook niet aan bij de rechtspraktijk, waarin beëindigingsovereenkomsten veelal tot stand komen door op elkaar aansluitende correspondentie tussen partijen. De vordering van de werknemer wordt daarom afgewezen.(Kantonrechter Amsterdam 10 juni 2008, JAR 2008/227)
Neemt u eens vrijblijvend contact met ons op. *Kennett Mediation of hier voor het invullen van het intakeformulier.
DÉ SPECIALIST BIJ ARBEIDSCONFLICTEN
Ontslag